Voor den troon van Mahéswara, danste de slanke Harindra.
Zijn gelaat was ernstig en schoon; zijn armen bewogen zich in de oude, heilige gebaren. Zijn gewaad was veelkleurig; zijn hoofdtooisel was van stralend goud en in zijn gordel fonkelde zin kris als één kostbaar juweel.
Als hij schreed waaierde zijn kleed ruischend open; zijn soondèr straalde als een pralende pauwestaart. Zijn hoofd wiegde op den fieren hals gelijk de lotos op haar stengel en hij keek uit onder zijn vibreerende vingers.
Voor den troon van Mahéswara, danste de slanke Harindra.
De hemel werd zwart; een dreigende stem dreunde tusschen de bergen en de palmen bogen. Zij, die op het land waren, schuilden weg; in het paleis golfde een trage beweging in de stille massa van wachters en toeschouwers.
|