 |
O Hart? Mijn geliefde, ween niet als gij denkt aan den eindstrijd, die komen zal.
Want velen zullen vallen: uw broeders en uw vrienden, die met u strijden, maar ook uw broeders en uw vrienden, die in het kamp uwer vijanden staan.
De stem der Gerechtigheid zal gehoord worden en uw stem zal weerklinken.
Kunt gij daarom niet vreugdig zijn en welgemoed, Ardjoena?
Hebt gij daarom uw hoofd geneigd naar de aarde als een bloem, vermoeid in den avond en die geen zon meer wacht?
Weet gij dan niet, dat deze strijd zal eindigen gelijk het spel der schimmen, als de schaduwbeelden rusten aan de voeten van den Dalang?
De lamp zal gedoofd zijn, omdat de nacht ten einde is en een nieuw Licht zal opgaan in het Land van géén ruimte en géén tijd.
|