 |
Ik ben Semar, de potsenmaker, de trouwe dienaar van mijn Heer!
Ik heb mijn held tot in het hevigst van het strijdgewoel gevolgd; ik ben zijn wonden tot medicijn en zijn eenige hoop in zijn diepste verslagenheid.
Wij zijn elkanders toeverlaat, mijn Heer en ik; want mijn held en kameraad doolt eenzaam en onbegrepen door de wereld, die mij lief is, en zelfs zij, die mij de liefste zijn, kunnen slechts om mij lachen.
Zóó niet te scheiden van mijn Heer als zijn schaduw en zijn geweten.
Want heer en dienaar gaan éénzelfde reis naar éénzelfde doel.
Er klinkt een lachen onder u, zooals alleen kinderen lachen met heel hun hart en heel hun aandachtig gemoed.
|