 |
Liefde en Vriendschap zijn tweeling-zusters, die sprekend op elkaar lijken: mijn oogen kunnen haar niet van elkander onderscheiden. Maar wanneer zij zwijgend langs mij heen gaan, de één na de ander, herken ik de aangebedene aan de verwarring van mijn hart.
Maar hoe zal ik U herkennen, o Liefde, als mijn hart steeds verwarder slaat?
Want méér dan Liefde en Vriendschap gelijken de twee vrouwen, die Gij mij getoond hebt, o Heer, in het donkere woud, onder de asoka-boom. De ééne heb ik nagejaagd, omdat haar mijn hart begeerde; de andere had Gij voor mij bestemd vóór den tijd, dat ik mij neigen zou naar Uw wil. Hoe heb ik mijn ooren toegestopt en mij verborgen, o Heer, voor het geluid van Uw stem!
|