Ik ben Garoeda, Vishnoe’s vogel, die zijn vleugelen uitslaat hoog boven uw eilanden.
Ik zie uw sluimerende wouden besloten in den keten der bergen; ik zie het eerste morgenlicht als zilver op uw rimpelloze meren, en aan de hellingen der heuvelen zie ik het kunstgewrocht uwer rijstvelden.
Uw steden gaan onder mij door als koloniën van mieren; uw désa’s zijn veilige vogelnesten wiegende tusschen de twijgen.
De vulcanen rooken mij toe en de pluim harer wolken wuift in de wind mijner vleugelslagen.
In den neveligen oceaan van den vroegen morgen glanst het Goud-eiland.
De Krakatau slingert zijn stenen naar mij op als fluitende meteoren.
Temidden van de smaragden van sawah’s en geboomte schittert de Boro-boedoer als een kunstig juweel.
|