AANTEKENINGEN

 

De schrijver is er zich van bewust, dat hij tegen de conventioneele en kunst-technische opvattingen handelt door een “toneeldanser” en een “masker” te plaatsen binnen het kader van het eigenlijk gezegde “schimmen”-spel.

De Nederlandse titels zijn niet overal vertalingen der Javaansche;  “Pandji”, “Kelana” en “Semar” b.v. zijn eigennamen terwijl “de dolende ridder”, “de verdwaasde” en “de potsenmaker”  eer karakteristieken zijn.
“Rajarshi” drukt het klassiek Indische begrip uit van den “wijzen koning” of “Koninklijke wijze”. In den titel van dit gedicht is het woord gesplitst in zijn beide bestandsdeelen overeenkomstig den vorm van den dialogischen monoloog.
“Soeksma” beteekent eigenlijk “ziel” of “geest”; dat, wat den mensch het eigenst is en toch een raadsel blijft. Een zinrijke wayang-legende verhaalt van een held, die een raadselachtig wezen tot broeder had. Deze was een onzichtbaar, etherisch wezen, dat feitelijk al de groote en grootsche daden van den held op zijn rekening had. Als dat wezen zich verzichtbaarde, vertoonde het zich aan zijn broeder in een foei-leelijke gestalte, waarover de held zich schaamde en ergerde. Uit valsche schaamte om zijn “beter ik”, uit wanbegrip tegenover het raadsel van zijn eigen ziel, uit gebrek aan een alomvattende liefde, doodt de held in een opwelling van ergernis en drift over zulk een “niet-te-begrijpen” wanstaltigheid zijn “leelijken” broeder : zijn goede genius. Dan is het ook met zijn adel-en heldendom gedaan en de held gaat smadelijk en roemloos te gronde.

Lees verder >>>